|
Insectenkennis
Tekst: Andre Schueremans
INSEKTENKENNIS EN VLIEGVISSEN
Verschillende jaren geleden schreef ik voor ons clubblad enkele artikels in verband met insectenkennis. Leden die de laatste jaren bij onze club aansloten hebben de kans niet gekregen om daar iets van op te steken. Ik besef maar al te goed dat men op de clubavonden geconfronteerd wordt met zovele woorden waar men niets van begrijpt.Ik denk bijvoorbeeld aan woorden als "dun", "imago", "spinner", "sedge", "emerger", "nimf", "spent" en zo kunnen wij maar doorgaan. .Zovele woorden die wat meer uitleg vergen!
Het is helemaal de bedoeling niet om een ingewikkelde en gedetailleerde uiteenzetting te geven van alle mogelijke insecten die op onze rivieren voorkomen. Alleen de belangrijkste komen aan bod. Wij geven daar wel de Latijnse benamingen bij, niet om geleerd te doen, maar wel omdat insecten dikwijls bij hun wetenschappelijke naam genoemd worden.
Hier gaan wij dan!
De voornaamste klassen van insecten, belangrijk voor de vliegvisser, zijn:
- de ephemeroptera
- nederlandse benaming: eendagsvliegen of haften
- de trichoptera
- engelse benaming: sedge
- amerikaanse benaming: caddis
- nederlandse benaming: kokerjuffer of schietmot
- de plecoptera
- nederlandse benaming: steenvlieg
- engelse benaming: stonefly
- de diptera
- nederlandse benaming: tweevleugeligen zoals de dansmuggen
- de crustacea
- nederlandse benaming: kreeftachtigen zoals de zoetwatervlokreeft
- de landinsecten zoals sprinkhanen, kevers, langpootmuggen, vliegende mieren, maartse muggen ...
Wij gaan nu wat dieper in op de levenscyclus van deze insecten.
EPHEMEROPTERA : HAFTEN OF EENDAGSVLIEGEN
De levenscyclus van de haften verloopt als volgt:
ei > nimf > emerger > subimago of dun > imago of spinner > spent
De nimfen
Haftnimfen hebben twee of drie staartdraden, een lang en gesegmenteerd achterlichaam, een thorax en drie paar lange poten. In stromend water zijn de haften en hun nimfen voor de vissen een heel belangrijke voedselbron.
De nimfen zijn in te delen in een vijftal grondtypen. De verschillende typen verschillen van elkaar wat betreft lichaamsbouw en leefwijze. Dit wordt bepaald door de omgeving waarin ze leven.
1. De gravers:
Deze nimfen leven in een modderige bodem. In mei en juni komen zij te voorschijn om uit te vliegen. Ze zijn vrij groot (15 tot 25 mm).
"Meivlieg" is de naam van de volwassen haft.
2. De kruipers:
Deze nimfen kruipen langzaam over de bodem en tussen de planten. Het zijn slechte zwemmers. Zwemmen doen ze door het wat platte lichaam op en neer te bewegen. Ze leven in langzaam stromend en stilstaand water. Ze zijn middelgroot tot klein.
3. De langzame zwemmers:
Ze komen voor in matig stromend water. Ze leven op de bodem en kruipen over de stenen en het grind. Ze zwemmen in de rustige poeltjes wat moeizaam rond.
Hun lichaam is rond en slank. Ze worden niet groot: tussen de 8 en 15 mm.
4. De steenklevers
Deze nimfen leven in zeer snelstromend, zuurstofrijk water. Ze hebben een afgeplat lichaam en zeer sterke en zware poten waarmee ze zich vastklampen aan de stenen. Ze zijn over het algemeen niet groot: 5 a 10 mm.  
5. De snelle zwemmers:
We vinden ze in rustig stromend en stilstaand water.
De nimf van de "Blue Dun" (zie hoger) is een snelle zwemmer.
Het emergerstadium
Het engelse woord "emerge" betekent "uitkomen" of "te voorschijn komen"
Meestal gebeurt dit een jaar nadat het diertje uit het ei kwam.
De nimf zwemt naar de oppervlakte, de nimfhuid splijt achter de kop en tussen de vleugels open. Dat opensplijten kan al onder water gebeuren. De vleugels komen, helemaal opgevouwen, onder de nimfhuid vandaan. Boven het water moeten de vleugels zich ontvouwen en kruipt de haft verder uit de nimfhuid.
Dat uit de nimfhuid kruipen mislukt echter regelmatig. De haft geraakt niet uit haar nimfhuid of de vleugels ontvouwen zich niet goed zodat het diertje verzuipt.
De "subimago" of "dun"
Boven water moet de haft wachten totdat haar vleugels gedroogd zijn. Anders kan ze niet opvliegen. Hierbij drijft ze hulpeloos stroomafwaarts met de vleugels in V-vorm opwaarts gericht. In dit levensstadium noemt men de haft een "subimago" (Latijnse benaming). De Engelsen noemen ze een "dun".
De "imago" of "spinner"
 De subimago of dun vervelt nog een keer en pas dan is ze geslachtsrijp. Men noemt ze nu een "imago" of, in het engels, "een spinner". De vleugels zijn nu doorschijnend, de kleuren zijn feller of zelfs helemaal anders dan in het dunstadium.
imago van de "Iron Blue Dun"
Het paringsproces van de haften is als een luchtballet. De beide geslachten ontmoeten elkaar in de lucht. Vooral windstille avonden zijn daar geschikt voor.
Na de paring deponeert het vrouwelijk imago haar eitjes in het water. Daarvoor raakt ze telkens het wateroppervlak met haar achterlichaam om een of meer eitjes te laten wegspoelen.
Er zijn ook haften die via plantenstengels of stenen onder water kruipen om daar hun eitjes af te zetten. Als zij daarmee klaar zijn kruipen ze terug naar de oppervlakte.
Het spentstadium
Nadat de eitjes op of in het water zijn gelegd vallen de spinners stervend met gespreide vleugels op het wateroppervlak. Deze gespreide vleugelstand noemt men "spent" in het vliegvisjargon.
TRICHOPTERA : KOKERJUFFERS of SCHIETMOTTEN
De levenscyclus van de kokerjuffers verloopt als volgt:
ei > larve > pop > imago (volwassen insect)
Het larvestadium
Indien je in een rivier enkele stenen opvist en omdraait ontdek je zeer dikwijls kokertjes die op de steen geplakt zijn. In die kokertjes leven de larven van de schietmotten.
Niet alle larvesoorten leven in een kokertje dat aan een steen gehecht is. Er zijn soorten die met hun kokertje rondkruipen over de bodem en tussen de planten. En er zijn ook soorten die geen kokertje hebben en die vrij op de bodem en tussen de planten rondkruipen.
Het popstadium
Naargelang het seizoen vordert sluit de larve haar kokertje af en gaat zich verpoppen. De vrij levende larven spinnen een cocon waarin de verpopping plaats vindt. Na 8 a 14 dagen bijt de verpopte larve haar koker of cocon stuk en zwemt als pop naar de oppervlakte. Sommige soorten kruipen langs plantenstengels naar de oppervlakte.
Aan de oppervlakte gekomen kruipt de schietmot uit de pophuid en vliegt onmiddellijk weg.
Het volwassen insect of imago :
Kokerjuffers zijn gemakkelijk te herkennen. In rust vouwen ze hun vleugels als een dakje over hun lichaam. De vleugels zijn fijn behaard en glanzen niet. Ze rusten meestal in de bomen aan de onderkant van een blad.
Kokerjuffers vliegen vaak in grote groepen vlak boven het wateroppervlak. In de vlucht ziet men duidelijk de vier vleugels, wat alleen ook bij de steenvliegen het geval is.
De volwassen schietmot eet en drinkt en leeft twee a drie weken. Gedurende die periode wordt de vrouwelijke schietmot bevrucht waarna ze haar eitjes aflegt. Dit kan op verschillende manieren gebeuren: al vliegend, op het wateroppervlak drijvend of door onder water te duiken en de eitjes op stenen of andere obstakels te deponeren.
PLECOPTERA: STEENVLIEGEN
De levenscyclus van de steenvliegen verloopt als volgt:
ei - nimf - imago
Het nimfstadium :
Steenvliegen zijn aanwezig in vele rivieren maar slechts op voorwaarde dat het water zuiver en zuurstofrijk is.
Steenvliegnimfen hebben steeds twee staartsprieten. Ze hebben stevige poten met klauwtjes.
Ze kruipen over de bodem, vooral onder en tussen de stenen.
 
 
 
 
Het volwassen stadium :
De nimfen kruipen meestal 's nachts uit het water via de oever. Daar ontdoen ze zich van hun nimfenhuid. Ze vliegen dus niet uit van op het water zoals de haften. Daarom is een inspectie van de stenen aan de waterkant nuttig om te zien of er nimfenhuidjes aanwezig zijn en welke grootte ze hebben.
Meestal heeft een steenvlieg twee staartsprieten alhoewel dit bij sommige soorten niet het geval is. Steenvliegen zijn gemakkelijk te herkennen aan hun vier vleugels die in rusttoestand samengevouwen zijn, plat over het lichaam en dus niet als een tent zoals bij de kokerjuffers. Zij vliegen veel slechter dan kokerjuffers.
De volwassen dieren leven twee a drie weken en in die tijd wordt voor het nageslacht gezorgd. De wijfjes leggen hun eitjes af door in hun vlucht met het achterlichaam het water te raken ofwel door langs de oever onder water te kruipen.
DIPTERA of TWEEVLEUGELIGEN
Wij bespreken hier alleen de dansmuggen omdat die op stilstaand water voor de vissen een van de voornaamste voedselbronnen betekenen. De Engelsen noemen die dansmuggen "buzzer".
Wetenschappelijke benaming: "Chironomidae".
Een van hun belangrijkste eigenschappen is hun talrijke aanwezigheid gedurende het ganse jaar. Zowel bij koud als bij warm weer zijn er dansende muggenwolken te zien. In feite zou de forel in vele grote meren niet kunnen overleven zonder de aanwezigheid van deze insecten.
De dansmuggen zijn gemakkelijk te herkennen aan de pluimvormige antennes op hun kop. Dansmuggen zijn meestal kleine muggen die geen mens kwaad doen.
 
 
 
 
De levenscyclus van de dansmug verloopt als volgt
ei - larve - pop - volwassen insect
De larve:
De wijfjes leggen hun eitjes op het wateroppervlak; deze zinken naar de bodem om reeds na enkele dagen te veranderen in wormachtige larven.
De larven zijn niet groot, maximum 12 a 15 mm lang en 1 a 2 mm dik. De meeste leven in kokertjes in het water of soms in de modder.
Hun kleur varieert sterk volgens de soort: van licht olijfgroen, over bruin en geel tot rood. Zeer gekend is de grote helderrode larve (vers de vase). Deze leeft in een modderige bodem waarin ze zich verschuilt.
De pop:
Op het einde van haar bestaan verandert de larve van uiterlijk. De borstsegmenten worden dikker en het lichaam wordt meer gedrongen en krommer. De larvenhuid splijt open en de pop ("pupa") komt te voorschijn. Kenmerkend zijn de borstelvormige, wit- tot grijsachtige ademhalingsorganen aan het uiteinde van kop. De kleur van de pop zelf kan sterk varieren.
30 a 70 uren na de verpopping gaan de poppen extra zuurstof uit het water opnemen. Dit bezorgt ze meer drijfvermogen om naar de oppervlakte te stijgen. Wanneer de poppen voldoende zuurstof opgenomen hebben beginnen ze op te stijgen.
de buzzerpop rust even uit net onder de waterspiegel
Uiteindelijk bereiken ze de oppervlakte. Hier wordt even uitgerust in een verticale houding juist onder de waterspiegel om daarna op te stijgen en uit te vliegen.
 
 
 
 
 
 
Het volwassen insekt :
Wanneer de pop door de waterspiegel is gedrongen neemt ze een horizontale houding aan. In een tijdspanne van ongeveer 10 seconden barst de poppenhuid open en de mug kruipt eruit. Enkele seconden later vliegt het volwassen insect op.
De kleur varieert van zwart naar bruin tot groen, geel, rood tot oranjerood en zelfs bijna wit. De vleugels zijn korter dan het achterlichaam en liggen in rust plat boven het lichaam. Het voorlichaam heeft een hoge bult en is veel breder dan het slanke achterlichaam. De mug heeft 6 tamelijk lange poten doch geen staart.Na de paring vliegen de wijfjes laag over het water om er hun eitjes in te deponeren.
DE CRUSTACEA of KREEFTACHTIGEN
In deze groep bespreken wij alleen de zoetwatervlokreeft.
Engelse benaming: Freshwater Shrimp
Latijnse benaming: Gammarus Pulex
Men vindt ze in alle waters, zowel in rivieren als in meren. Zij zijn het ganse jaar door zeer talrijk aanwezig en vormen aldus een constante voedselbron, ook in die perioden dat er weinig ander voedsel voorhanden is. Ze zwemmen en kruipen over de bodem of tussen de waterplanten.
Ze hebben talrijke pootjes, een gesegmenteerd lichaam en kunnen tot 2 cm lang worden. In rust is hun lichaam gekromd. Om te zwemmen krommen en strekken ze hun lichaam terwijl ze op hun zij liggen.
 
 
 
 
DE LANDINSECTEN
Van de vele landinsecten, die per ongeluk in het water belanden, bespreken wij alleen de Hawthorn Fly en de Langpootmug.
Er zijn er nog vele anderen waaronder vliegende mieren, huisvliegen, rupsen, kevers, sprinkhanen ... Al deze diertjes kunnen op een of andere manier in het water sukkelen en zijn dan voedsel voor de vissen.
de Hawthorn fly
Hawthorn Fly is de Engelse benaming.
Wetenschapelijke benaming: Bibio marci
Nederlandse benaming: Maartse Vlieg.
Ze verschijnen gewoonlijk in de maand april. Ze hebben een tamelijk groot, zwart en behaard lichaam. De vleugels zijn doorzichtig en even lang als het achterlijf. Ze zijn gemakkelijk te herkennen aan de lange achterpoten die gedurende de vlucht neerwaarts hangen. Het zijn zwakke vliegers die van een vochtige omgeving houden. Zo komen ze door de wind regelmatig in het water terecht tot grote vreugde van de forellen.
De Langpootmug
Engelse benaming: "Daddy-long-legs"
Men vindt ze van juni tot september.
Het zijn door hun grootte onhandige vliegers zodat ze regelmatig in het water belanden. Bij flinke wind kan dit massaal gebeuren. Ze spartelen en roeien met hun lange poten over het wateroppervlak wat uiteraard de aandacht van de forellen trekt.
 
 
 
 
 
 
 
 
V a n g z e !
|