|
Wat leeft er op het water: De ijsvogel
Tekst: François Stuckens
Latijnse naam: " Alcedo atthis "
Deze prachtig gekleurde vogel is één van de mooiste verschijningen aan onze rivieren en beken. Als vliegvissers zijn we waarschijnlijk bevoorrecht hem wat vaker te zien dan de doorsnee wandelaar. Zijn biotoop bevindt zich in het zelfde leefgebied als de forellen en vlagzalmen die wij tot onze geliefkoosde sportvissen beschouwen. Weinig vogels zijn echter zo schuw als de ijsvogel en men zal hem dan ook maar zelden goed kunnen waarnemen. De eerste aanwijzing voor zijn aanwezigheid is zijn roep die bestaat uit een hoog fluitend "tjie" of "tjie-kie". Meestal ziet men hem daarna als een prachtige staalblauwe pijl langs de beekoever voorbij schieten.
Zijn opvallende kleuren hebben een functie bij de zelfverdediging, want zijn belagers hebben geleerd hem met rust te laten, vanwege zijn walgelijk smakend vlees. Tijdens strenge winters krijgen ijsvogels het bijzonder moeilijk, doordat hun hoofdvoedsel, vis onbereikbaar is door ijsvorming. s'Winters ziet men ze wel vaak bij een wak in het ijs, vandaar wellicht zijn naam.
IJsvogels graven een nestholte uit in de zandige of leemachtige rivier- of beekoever, met aan het uiteinde een nestkamer. Hij bekleed dit nest met visgraten en de ingang valt op door de witte bepleistering bestaande uit braaksel van graten en slijm. Het legsel bestaat uit 6 à 7 eieren en wordt 19 tot 21 dagen door beide ouders bebroed. Beide ouders nemen de zorg over hun jongen waar die na ca. 4 weken het nest verlaten. Door de rottende etensresten en uitwerpselen wordt het nest zeer vuil en de ouders baden dan ook dikwijls na een bezoek eraan.
De ijsvogel vist door op een takje zittend uit te kijken naar voorbij zwemmende visjes en zo nu en dan staat hij ook als een torenvalk te ´bidden´, om even later als een speer het water in te schieten. Zijn gevangen prooi slaat hij soms een paar keer tegen een tak voordat hij hem, met de kop eerst naar binnen werkt.
Veldkenmerken:
Opvallend gedrongen bouw, grote kop en korte staart. Bovenzijde fel staalblauw, oranje-bruine onderkant, witte keel en halsvlek, rode poten en lange dolkvormige snavel. Geslachten zijn gelijk. Lengte 16.5 cm. In de vlucht zijn de korte staart de staalblauwe vleugels en glanzende blauwgroene rug goed zichtbaar. Wij kunnen als vliegvisser bezwaarlijk deze prachtige vogel als een concurrent beschouwen maar eerder blij zijn met zijn aanwezigheid. Hij is een barometer voor de kwaliteit van ons viswater en het natuurlijke biotoop van onze beken en rivieren.
|